Werkwoorden vinden in een zin is niet heel erg moeilijk als je weet wat een werkwoord is, wat de rol van een werkwoord is en hoe het zich in de zin gedraagt.

 

Dat alles lees je hier: https://www.beterontleden.nl/werkwoord

Lees dit eerst en ga daar eerst met je leerlingen mee aan de slag.

Je wilt namelijk niet dat kinderen puur op uiterlijk of op kenmerken van werkwoorden op zoek gaan.

 

Wat ik daarmee bedoel?

 

Afgaan op uiterlijk: 

ik weet dat zijn een werkwoord is, dus in Jan zit op zijn fiets, geef ik zijn aan als werkwoord.

Ik weet dat fietsen een werkwoord is, dus in De fietsen staan in de stalling, geef ik fietsen aan als werkwoord.

 

Afgaan op kenmerken:

Ik weet dat ik loop kan maken van lopen (namelijk ik loop), dus in Dit geweer heeft een kromme loop, geef ik loop aan als werkwoord.

Ik weet dat ik greep kan maken van grijpen (namelijk jij greep), dus in Een greep is een ander woord voor mestvork, geef ik greep aan als werkwoord.

 

Je wilt natuurlijk dat kinderen doorvoelen wat een werkwoord is, en dat ze daarna volgens een vaste tactiek te werk gaan om de werkwoorden te vinden in een zin.

 

Tactiek om werkwoorden te vinden in een zin

De belangrijkste vraag die moet stellen als het gaat om werkwoorden vinden in een zin is:

Wat beschrijft deze zin?

  1. Doet iemand iets?
  2. Gebeurt er iets, is er iets aan de hand?
  3. Is iemand iets?

Als je een van deze opties hebt gekozen.

En je uiteraard kunt uitleggen waarom je dat gekozen hebt ;-)

Dan is de vraag:

Welk woord geeft dan aan

 ad 1: Wat iemand doet (lopen, denken, slapen)

 ad 2: Wat er gebeurt, wat er aan de hand is (sneeuwen, willen, mogen, hebben, …)

 ad 3: Wat voor verbinding het is (nu zijn, straks worden, steeds blijven, lijken, …)

 

Volgens deze aanpak krijgen kinderen gevoel voor zinnen en de elementen met hun rol daarin.

 

Je snapt dus ook, dat ik kinderen altijd laat oefenen en toets volgens een vaste structuur. Zomaar een zin geven en vragen om de werkwoorden aan te geven vind ik geen goede aanpak.

Dan krijg je vergissingen zoals ik die hierboven heb beschreven.

 

Opbouw bij het oefenen van werkwoorden vinden

Een goede opbouw is cruciaal. Zo bouwen kinderen steeds verder op wat ze al weten en houden ze steeds een succeservaring.

Neem dus nooit willekeurige zinnen. Zorg ook dat kinderen zinnen krijgen met alle soorten werkwoorden die zijn uitgelegd.

 

Stap 1:

Leg de werkwoorden uit die aangeven dat iemand iets doet. (zie ook https://www.beterontleden.nl/werkwoord). 

Oefen met zinnen met 1 werkwoord van die soort. Laat kinderen steeds onder het werkwoord ww zetten. 

Leg de werkwoorden uit die aangeven dat er iets gebeurt, dat er iets aan de hand is.

Oefen met zinnen met 1 werkwoord van de twee soorten die aan de beurt zijn geweest.

 

Stap 2:

Bespreek de peutergrammatica: het verschil tussen doen-zinnen en zijn-zinnen.

Oefen met zinnen met 1 werkwoord met alle drie de soorten.

Gebruik daarbij steeds de bovenstaande tactiek.

 

Op dit punt kunnen kinderen, als het goed is, in alle zinnen met 1 werkwoord dat werkwoord ook vinden en benoemen.

En, wat nog belangrijker is, ze hebben een gevoel bij wat een werkwoord is, welke rol het heeft in de zin en dat het kan veranderen met de persoon en de tijd.

Dan zijn ze klaar voor een van de volgende stappen:

  • meer werkwoorden in de zin (verder ingaan op taalkundig ontleden)
  • persooonsvorm (verder ingaan op redekundig ontleden; ook belangrijk voor spelling)

Deze onderwerpen zijn nog in ontwikkeling. Heb je er nu behoefte aan, laat het me weten.