Een werkwoord is een woord dat aangeeft welke handeling of toestand of welk proces in de zin centraal staat. Ofwel: iemand/iets doet iets, iemand/iets is iets of er gebeurt iets, er is iets aan de hand.

Een mooie definitie van Taaladvies van Onze Taal.

 

Maar als je dit tegen een jonge leerling zegt, dan zal hij je glazig aankijken. 

Toch is het heel belangrijk dat kinderen het concept werkwoord leren. 

Het is een van de basisbouwstenen van een taal.

Iedere zin heeft er minstens een. Dat is in alle talen zo.

 

Met een werkwoord geven we heel veel informatie.

Zoals gezegd, geeft het werkwoord aan of iemand iets doet, iemand iets is, of wat er aan de hand is. 

Maar daarnaast geeft het werkwoord (door zijn vorm) informatie over wie het doet en in welke tijd hij het doet.

Ook is de spelling van werkwoorden soms anders dan van ‘gewone’ woorden. 

 

Belangrijk dus dat je weet of een woord een werkwoord is.

Werkwoord

 

Hoe ga je het werkwoord aan leerlingen leren?

Er zijn verschillende soorten werkwoorden. Start met de werkwoorden die het dichtst bij kinderen liggen.

Zo leren ze de principes en de eigenschappen.

Die kunnen ze daarna gebruiken voor de lastiger soorten werkwoorden.

De eerste soort

Begin bij de eerste soort werkwoorden: de werkwoorden die aangeven dat iemand iets doet.

Deze werkwoorden staan het dichtst bij de leerling.

Als een kind leert praten, zal hij dit soort werkwoorden als eerste gebruiken: pappa rijden, jantje eten.

 

In het Montessori-onderwijs hebben ze een hele mooie manier om dit soort werkwoorden uit te leggen (en nee, ik wil niet iedereen aan het Montessori-onderwijs hebben, maar de aanpak voor grammatica heeft mij zeker geïnspireerd ;-)):

 

 

Een werkwoord representeert actie, energie. Als je iemand wil vertellen wat een werkwoord betekent, ga je het voordoen.

Net als in het filmpje kun je kinderen vragen om voorbeelden te zoeken, en om hun voorbeeld uit te beelden. 

 

Maak er eventueel een “wat doe ik”-spel van! 

 

Of kijk samen naar een filmpje, en benoem alles wat gedaan wordt.

En kijk daarbij verder dan wat je als eerste ziet. 

Iemand die loopt, is ook aan het kijken, zijn voeten aan het neerzetten, zijn evenwicht aan het houden, zijn hoofd aan het draaien, aan zijn oor aan het kriebelen, zijn handen aan het zwaaien, zijn knie aan het buigen, aan het ademen, aan het slikken, zijn hart klopt,  ….

 

Schrijf alle werkwoorden die gevonden worden in de infinitief (hele werkwoord, om te - vorm) op. Neem bijvoorbeeld een groot vel papier waarop de werkwoorden verzameld worden. Werk je 1 op 1, neem dan iets wat werkbaar is voor jou en je leerling.

 

Eigenschappen van een werkwoord

 

Als kinderen een hele verzameling van dit soort werkwoorden hebben gevonden, kun je gaan kijken naar een bijzondere eigenschap van werkwoorden: ze veranderen met de persoon die het doet in de zin!

 

Doe dit vooral mondeling en maak er geen spellingles van. Het is de bedoeling dat kinderen de verandering ontdekken door werkwoorden in een zin te gaan gebruiken en nog niet zozeer hoe het verandert. 

 

Lopen – ik loop, jij loopt, hij loopt, de klok loopt, wij lopen, jullie lopen, die mensen lopen, …

 

Een tweede eigenschap van werkwoorden is dat ze veranderen met de tijd waarin de zin zich afspeelt

Lopen – vandaag loop ik, gisteren liep ik.

 

Deze eigenschappen gebruiken kinderen dagelijks. Het enige wat we hier doen, is ze ervan bewust maken.

Geef kinderen tijdens het onderzoeken ook mee dat andere woorden dan werkwoorden deze eigenschappen niet hebben. Het is niet ik theepot, wij theepotten. Of ik groot, wij groten. Of ik morgen, wij morgenen.

 

De eigenschappen zijn uniek voor werkwoorden.

 

Een leuke clip die kinderen zelf gemaakt hebben om werkwoorden uit te leggen:

;

 

Laat kinderen allerlei zinnen maken met werkwoorden. Doe dit bij voorkeur mondeling. 

Als kinderen voldoende geëxperimenteerd hebben met het zelf maken van zinnen bij een werkwoord, kun je ze werkwoorden laten zoeken in een geschreven zin.

 

Natuurlijk begin je met zinnen met één werkwoord erin. En bovendien een werkwoord dat aangeeft dat iemand iets doet.

Je bespreekt: 

“Wat beschrijft deze zin?” Of “Is iemand iets aan het doen in deze zin?”

Ja! 

Wat dan?

…... (leerling zegt het werkwoord)

Vervolgens zet de leerling ‘ww’  (van werkwoord) of een rode stip (als het Montessori-element je aanspreekt) onder het werkwoord.

 

De tweede soort werkwoord

De tweede soort werkwoorden die ik bespreek met kinderen omvat de werkwoorden die beschrijven dat er iets gebeurt, of dat er iets aan de hand is.

Werkwoorden die aangeven dat er iets gebeurt, lijken nog heel erg op de eerste soort. Er is niet echt iemand of iets die het doet, maar je herkent wel de energie en de actie.

Bijvoorbeeld: het sneeuwt of het regent.

 

Grappig bij deze werkwoorden: je kunt niet zeggen ik sneeuw of wij sneeuwen.

Gelukkig kun je wel de tijd veranderen: het sneeuwde.

 

Na deze vrij concrete werkwoorden kom je bij werkwoorden die beschrijven dat er iets aan de hand is.

Ik wil een pop.

Ik mag een appel.

Ik moet naar de wc.

Ik heb pijn.

 

Als het goed is, hebben kinderen tegen deze tijd al wel een gevoel wat een werkwoord is. 

Als je bij de eerste zin vraagt aan een kind: waar gaat deze zin over? Dan zullen de meeste kinderen direct aanvoelen, dat de zin beschrijft dat iemand iets WIL.

 

Je kunt dan altijd samen controleren of dit inderdaad een werkwoord is, door de eigenschappen te checken.

 

En natuurlijk laat je kinderen ook zinnen maken met dit soort werkwoorden.

En je laat ze dit soort werkwoorden zoeken in zinnen. Let daarbij op dat je nog steeds maar één werkwoord hebt staan in de zin die jij aanbiedt. Dus niet: ik moet poepen ;-).

 

Als kinderen zelf komen met zinnen met meerdere werkwoorden en daar vragen bij gaan stellen, dan ga je natuurlijk wel in op deze vragen. Je bevestigt dat je soms meerdere werkwoorden in een zin kunt hebben. Of je het voorlopig daarbij laat, of dat je er uitgebreid op ingaat hoe dat zit, hangt af van de situatie. Hoe je uitlegt hoe het zit, werk ik uit bij het gezegde.

 

Met deze twee soorten werkwoorden hebben de kinderen de werkwoorden geleerd die in een werkwoordelijk gezegde kunnen voorkomen. 

Belangrijk is om ze ook de derde soort werkwoorden te leren!

 

De derde soort

De derde soort werkwoorden gebruiken we heel veel. Hij geeft geen actie meer, maar een toestand:

Ik ben lief.

Het koekje is lekker.

Mijn vader is piloot.

 

Kinderen die nog in twee woorden praten, laten dit werkwoord weg, maar weten feilloos wat ze bedoelen met:

Pappa lief.

Hondje stout.

Koekje lekker.

 

Ook oudere kinderen voelen dit feilloos aan. Geen enkele reden dus om al heel vroeg te benoemen dat je zinnen hebt waarin iemand iets DOET en zinnen waarin iemand iets IS.

Een leuke manier om dit te ervaren, is door met hen peutergrammatica te gebruiken. Heb ik trouwens geleerd op een cursus van de TaalProf in Nijmegen. (wil je meer weten over peutergrammatica, stuur me even een berichtje).

Je maakt verschillende zinnen:

honden blaffen

leeuwen brullen

ballen rollen

huizen hoog

muizen klein

stekels scherp

Deze laat je kinderen sorteren. Eerst zonder verdere aanwijzingen, laat ze maar een aantal manieren vinden.

Als laatste wil je dat ze twee rijen vinden: zinnen waarin iemand iets doet en zinnen waarin iemand iets is.

Pak daarna een tekst op het niveau van de kinderen. Lees voor of laat de kinderen zelf lezen. Na iedere zin laat je kinderen aangeven of het een zin is waarin iemand iets doet (en wat dan) of iemand iets is (en welk woord zorgt voor de verbinding/koppeling?).

 

Deze derde soort werkwoorden heeft dezelfde eigenschappen als de andere soorten: ze veranderen met de persoon en met de tijd.

Kinderen vinden dit wel veel lastiger, omdat met name het werkwoord zijn natuurlijk super onregelmatig is. Maar als je het ze in een zinnetje laat zeggen, weten ze het feilloos.

 

Je doet kinderen een groot plezier als je ze dit soort werkwoorden ook al vroeg leert benoemen als werkwoord. 

En laat ook zien dat er meerdere manieren zijn om het zijn (de koppeling tussen wie is het en wat is hij) weer te geven.

Laat jonge kinderen dit vooral op hun taalgevoel doen!

Wat is het verschil tussen:

Hij is bakker

Hij wordt bakker

Hij blijft bakker

Hij lijkt bakker

 

Hij is Jan

Hij heet Jan

 

De andere ‘koppelwerkwoorden’ kun je met jonge kinderen overslaan. Je hoeft het woord ook niet te noemen (maar als je steeds vraagt: welk woord zorgt voor de verbinding, de koppeling?, dan help je ze natuurlijk enorm voor later ;-))

Voor het overslaan wel een disclaimer: als een kind in een boek leest: De situatie bleek heel anders dan gedacht, en hij stelt daarover een vraag, ga die vraag niet uit de weg. 

Gewoon weer terug: beschrijft de zin dat iemand (of ‘de situatie’ in dit geval) iets doet, of dat hij iets is?

Leren wat werkwoorden zijn kan natuurlijk niet zonder oefening in het gebruik van die werkwoorden in een zin. Zelf toepassen van werkwoorden in een zin is een belangrijke stap voor het leren vinden van werkwoorden in de zinnen van iemand anders. 

Wissel het leren van de verschillende soorten werkwoorden dus af met het zoeken van werkwoorden. Hoe je dat doet, lees je in werkwoorden vinden in een zin.