Het werkwoord is de basis van al onze zinnen. Het werkwoord is namelijk een woord dat aangeeft:
- wat iemand/iets in de zin is
- wat iemand/iets in de zin doet
- wat er in de zin gebeurt

zijn
Werkwoorden waarbij iemand iets is, kun je vinden door de volgende zin af te maken:
Ik denk dat hij brandweerman wil …..
De woorden die je op de puntjes kan invullen zijn allemaal werkwoorden.
Voorbeelden: zijn, worden, lijken, blijven

doen
Werkwoorden waarbij iemand iets doet, kun je vinden door de volgende zin af te maken:
Ik vind het leuk/stom/saai om te …..
De woorden die je op de puntjes kan invullen zijn allemaal werkwoorden.
Voorbeelden: doen, slapen, eten, wandelen

gebeuren
Werkwoorden waarbij er iets gebeurt, kun je vinden door de volgende zin af te maken:
Ik vind het leuk/stom/saai als het gaat ….
De woorden die je op de puntjes kan invullen zijn allemaal werkwoorden.
Voorbeelden: gebeuren, regenen, sneeuwen, waaien

Van welke soort werkwoorden kun je de meeste voorbeelden bedenken?

Een werkwoord heeft energie, het geeft een bepaalde actie weer.
Als je een werkwoord uit wilt beelden, zal je dat met beweging doen: je maakt een film.

In een zin kan één werkwoord staan, maar er kunnen er ook meer staan. Samen geven de werkwoorden de totale actie weer.

Werkwoorden kunnen verschillend vormen hebben: werkwoordsvormen. We kennen de volgende types:

  • Het hele werkwoord (de infinitief)
  • Persoonsvormen (ieder werkwoord heeft er een aantal!)
  • Het voltooid deelwoord
  • Het tegenwoordig deelwoord

 

De werkwoorden geven ook weer in welke tijd de zin staat.